De oudere werknemer

Uit Wikifysio
Ga naar: navigatie, zoeken

Samenvatting

Inleiding

Momenteel blijven veel werknemers niet tot hun pensioengerechtigde leeftijd aan het werk. Waar heeft dat mee te maken? Zijn er mogelijk oorzaken die inherent zijn aan het ouder worden? Zijn er arbeidsgerelateerde oorzaken? Het is belangrijk om dit te weten, aangezien de overheid beleidsopties ontwikkelt die enerzijds uittredingsroutes uit arbeid voor oudere werknemers bemoeilijken, anderzijds ouderen moeten stimuleren langer te blijven werken. Dit acht men nodig onder andere vanwege demografische ontwikkelingen (een blijvende ontgroening binnen de beroepsbevolking) en om voldoende draagvlak te kunnen blijven garanderen voor sociale voorzieningen (met name de oudedagsvoorziening). De essentiële vraag is: Hoe is de oudere werknemer te behouden voor het verrichten van werk, wat moet er dan gebeuren, wat kunnen arbodiensten daaraan bijdragen? Uit onderzoek blijkt dat werknemers zelf massaal kiezen voor vervroegd uittreden. Het gewenste jaar van uittreden ligt rond de 61 jaar, de leeftijd waarop momenteel met een prepensioen of VUT-regeling gemiddeld genomen 70% van het loon gehaald kan worden. Werkgevers en leidinggevenden zien het vervoegd uittreden van werknemers tot op heden nog niet als een groot probleem, ook niet toen er, ten tijde van de hoogconjunctuur eind negentiger jaren, veel behoefte was aan arbeidskrachten. Dit houdt verband met vooroordelen tegen oudere werknemers en het feit dat het nog niet gebruikelijk is om werk zelf aan veranderende wensen en capaciteiten van (oudere) werknemers aan te passen. Naar wensen wordt vaak niet eens gevraagd.

Wat betekent ouder worden eigenlijk voor werknemers?

Bij het ouder worden is gemiddeld sprake van:

Afname van fysieke vermogens:

  • - kwaliteit van de zintuigen;
  • - botmassa;
  • - spiermassa en contractiesnelheid;
  • - oog-handcoördinatie;
  • - energetische capaciteit.

Een verandering in mentale vermogens:

  • - afname van snelheid en kwaliteit van informatieverwerking, met

name bij complexe cognitieve taken (zgn. fluïde cognitieve vermogens);

  • - toename van kennis en ervaring door beroepspraktijk (zgn. gekristalliseerde

cognitieve vermogens);

  • - variatie in aandachtscapaciteit;
  • - verminderd korte termijngeheugen;
  • - verandering in leerstrategieën.

Secundaire veroudering

Een zekere kans op secundaire veroudering door een combinatie van leefstijl en omgevingsfactoren.Uitingsvormen hiervan kunnen zijn:

  • - eenzijdige ervaringsopbouw, met als risico veroudering van kennis en ervaring;
  • - niet beschikken over kennis omtrent actuele ontwikkelingen op het vakgebied;
  • - geen aansluiting vinden in sociale netwerken;
  • - gebrek aan overeenstemming tussen veranderende functies en individuele

capaciteiten;

  • - verlies van motivatie en vertrouwen in eigen kunnen.

Ouderen hebben tevens een grotere kans op (ouderdoms)ziekten, zijn doorgaans langer blootgesteld aan eventuele schadelijke effecten van werkomstandigheden, hebben een hogere kans op verzuim en een hogere kans om in een uitkeringssituatie te belanden (er is een hogere kans op instroom in de WIA en WGA). Of veroudering bij een werknemer daadwerkelijk leidt tot een verhoogde vermoeidheid, meer hersteltijd na belasting, meer belastingsverschijnselen, een hoger verzuim en uiteindelijk een verminderd functioneren is echter nog maar de vraag. Daarbij spelen verschillende factoren een rol. In de eerste plaats beschikken ouderen over compenserend vermogen; verminderd reactievermogen wordt bijvoorbeeld gecompenseerd door minder fouten maken. De opgedane beroepservaring maakt het gebruik van efficiënte besparingsstrategieën mogelijk en stelt ouderen soms ook beter in staat bepaalde taken te vervullen. Oudere werknemers kunnen door hun ervaring zelfs een meerwaarde hebben. Bovendien zijn er grote individuele verschillen in uitgangspunt (vermogens), ontwikkeling (kennis en vaardigheden), gezondheid (ziektes die men heeft doorgemaakt), life-events en opgedane ervaringen tijdens de loopbaan en daarbuiten.

Risicofactoren in werk

Uit de literatuur blijkt dat er voor oudere werknemers specifieke risicofactoren in het werk te identificeren zijn.Verouderingsprocessen kunnen zich versneld of in heviger mate voordoen wanneer sprake is van functies met:

  • -hoge tijdsdruk, in combinatie met weinig regelmogelijkheden;
  • -zware fysieke belasting, met name waar het gaat om belasting van de rug, de

knieën, de heupen en het gehoor;

  • -toepassing van zich snel ontwikkelende technologie.

Preventieve beleidsmaatregelen

Verhoging van de gemiddelde leeftijd van het personeelsbestand betekent voor werkgevers dat men zich zal moeten bezinnen op hoe het werk beter aangepast kan worden aan wat mensen nog kunnen en willen. Het betekent ook dat men ‘naar voren’ gaat denken: Hoe moet beleid eruit zien waarin al op jongere leeftijd rekening wordt gehouden met risico’s van slijtage, en waarin gericht geïnvesteerd wordt in behoud van inzetbaarheid tot op hoge leeftijd? Verhoging van de prepensioen leeftijd betekent voor werknemers dat men tijdig ook zelf verantwoordelijkheid moet nemen voor de eindfase van de loopbaan en zich moet bezinnen op vragen als: Welk werk wil ik graag blijven doen tegen welke arbeidsvoorwaarden, welke loopbaanstappen op jongere leeftijd zijn relevant om vroegtijdige slijtage te voorkomen? Hoe kan ik mijn kennis bijhouden en verbreden om tot op hoge leeftijd in het arbeidsproces te kunnen blijven functioneren? Dit vergt bij werkgevers en werknemers bewustzijn van wat veroudering (zowel positief als in termen van verminderde capaciteiten) betekent, bezinning op wat men aan werk kan en wil bieden en doen, de wil om hierover met elkaar te spreken, er personeelsbeleid over te formuleren en maatwerk op individueel niveau af te leveren. Arbodiensten kunnen zowel werkgevers en werknemers hierbij ondersteunen.

Bron:

Zie ook:

Fysieke klachten?

Fysiothrapeut.JPG Raadpleeg uw fysiotherapeut, specialist in beweging [2]

Kine.be.JPG Voor België [3]