Kraakbeenletsel van de knie

Uit Wikifysio
Ga naar: navigatie, zoeken

Inleiding

Uw behandeld arts heeft u geadviseerd om een beschadiging van het kraakbeen in uw knie te laten behandelen. Op deze pagina leest u meer over de verschillende behandelingsmogelijkheden. Kraakbeenproblemen in het kniegewricht komen veel voor. Het kraakbeen dat aan het uiteinde van het botstuk zit en daar zorgt voor een soepele beweging in het gewricht, kan beschadigd raken.

De knie (anatomie)

De knie bestaat uit drie botdelen: het bovenbeen, het onderbeen en de knieschijf. Om de knie ligt een gewrichtskapsel. Buiten dit gewrichtskapsel heeft de knie twee banden, die voor zijdelingse stabiliteit van de knie zorgen. Midden in de knie liggen de voorste en de achterste kruisband. Zij voorkomen dat het onderbeen naar voren of naar achteren verschuift. Daarnaast voorkomen de kruisbanden dat er bepaalde draaibewegingen mogelijk zijn tussen het onder en bovenbeen. In de knie bevinden zich tussen het bovenbeen en het onderbeen twee maanvormige schijfjes van zacht kraakbeen (de meniscus). Deze vangen schokken van de knie op en zorgen dat boven en onderbeen in iedere stand goed op elkaar passen. Elk botdeel is bekleed met een laag kraakbeen dat zorgt voor het glad en soepel bewegen van het gewricht.

Functie kraakbeen

Kraakbeen bedekt de uiteinden van de gewrichtstukken en heeft een glad veerkrachtig oppervlak. Het kraakbeen heeft meerdere functies, het:

  • zorgt voor een oppervlakte zonder wrijving
  • kan vervormen zonder te beschadigen.
  • leidt druk en piekbelastingen door naar het onderliggende bot.
  • verzorgt voeding voor de kraakbeencellen.

Het kraakbeen bestaat uit vier lagen en gaat langzaam over in bot.

Kraakbeenletsel van de knie

De meeste structuren in het lichaam kunnen zich goed herstellen. Kraakbeen is een weefsel dat echter heel moeilijk herstelt. Dat komt doordat er geen bloedvaten of zenuwen in het kraakbeen zitten. Hierdoor kan het kraakbeen ook geen pijn registreren. De pijn die optreedt na kraakbeenschade, komt niet direct van het kraakbeen, maar via de geïrriteerde structuren rondom.

Oorzaken

Beschadiging van kraakbeen kan op een aantal manieren ontstaan. Meestal wordt het door een (sport)letsel veroorzaakt. Andere oorzaken kunnen zijn het verwijderen van een meniscus of een kruisbandscheur. Ook ontstekingen, reumatische aandoeningen en artrose geven schade aan het kraakbeen. Deze beschadigingen zijn echter niet op operatieve wijze te behandelen. Wanneer er een kraakbeenletsel is dat niet wordt behandeld, bestaat er kans dat het letsel zich uitbreidt.

Een kraakbeenbeschadiging kan worden verdeeld in vier gradaties:

  • Graad 1: Het kraakbeen heeft een zachte plek.
  • Graad 2: Kleine scheurtjes in het oppervlak van het kraakbeen.
  • Graad 3: De scheurtjes hebben diepere groeven en losse stukken.
  • Graad 4: Het kraakbeen is geheel kapot, tot op het kale bot van de onderlaag.

In het vierde stadium zijn alle lagen van het kraakbeen aangedaan. Soms komen losse stukjes kraakbeen (corpus librum) in het gewricht. Deze zorgen voor nog meer schade aan het kraakbeen. De klachten die optreden zijn: pijn, zwelling, instabiliteitgevoel, slotklachten en het horen kraken van de knie. Voor het genezen van de beschadiging maakt het een aanzienlijk verschil of het kraakbeen alleen beschadigd is of dat er contact bestaat met het onderliggende bot. Een kraakbeen beschadiging zal niet herstellen terwijl een beschadiging die ook tot in het bot doorloopt kans heeft door cellen uit het beenmerg met een litteken kraakbeen weefsel te worden gevuld.

Diagnose en onderzoek

De arts stelt de diagnose aan de hand van de aard van de klachten, het lichamelijk onderzoek, röntgenfoto’s en eventueel een MRI-scan of tijdens een arthroscopie (kijkoperatie) van uw knie.

De operatie

Voor het herstel van de knie kan een chirurgische behandeling uitkomst bieden. Welke ingreep het beste is, per persoon verschillend en is nog steeds onderwerp van studie. Soms is het effect minder groot dan men had gehoopt en bij anderen treedt na de ingreep opnieuw letsel van het kraakbeen op. Het succes van de ingreep is afhankelijk van de ernst en omvang van de schade, de aanwezige pijn, andere afwijkingen en de mate waarin u actief bent. Om een helder beeld te houden, wordt elk van de operaties ‘onder bloedleegte’ uitgevoerd. Dit betekent dat het bloed uit het operatiegebied wordt weggestreken en met een opgepompte bloeddrukband om het dijbeen wordt het gebied ‘bloedleeg’ gehouden

Operatietechnieken

Er zijn ruwweg twee verschillende operaties mogelijk. Elk van deze ingrepen heeft een andere doelstelling. De keuze voor de soort ingreep is afhankelijk van uw leeftijd, omvang van het defect en eerdere behandelingen.

Reparatie van kraakbeen

Hierbij staat het herstel van het defect door stimuleren van beenmergcellen centraal. Tijdens de operatie worden gaatjes gemaakt in de botlaag onder het kraakbeen waardoor stamcellen die littekenkraakbeen kunnen maken het gat in het kraakbeen opvullen. Hiermee wordt echter de oorspronkelijke structuur niet geheel hersteld. Soms is dit zelfs niet mogelijk door de grootte van de schade. Vooral de mobiliteit en de functie van de knie worden hersteld en de pijn wordt verlicht.

Vervangen van kraakbeen

Het kraakbeen wordt vervangen of verplaatst. Het doel is volledig functieherstel en het verminderen van pijn en zwelling. Dit is een grotere ingreep en wordt nu nog alleen gedaan wanneer het vermoeden bestaat dat reparatie niet tot voldoende resultaat zal leiden.

Autologous chondrocyte implantation

Deze operatie wordt alleen uitgevoerd bij jonge mensen met een beperkt kraakbeendefect. Via een artroscopie (kijkoperatie) wordt in dagbehandeling een stukje kraakbeen weggehaald dat in het laboratorium op kweek wordt gezet. Dit heeft als doel het verkrijgen van meer kraakbeenweefsel. Na ongeveer vier tot vijf weken komt u voor een tweede operatie. Hierbij worden de gekweekte cellen via een open ingreep (een snee voor op uw knie) geïmplanteerd in het beschadigde deel om daar kraakbeengroei te verkrijgen.

Autograft

Uit een niet dragend stuk van uw eigen gewricht worden kleine pijpjes kraakbeen geboord. Het eigen gewricht fungeert hierbij dus als ‘donor’. Het uitkiezen van het donorgebied is van groot belang, omdat klachten aan het goede gedeelte van het gewricht uiteraard voorkomen moeten worden. De kraakbeenpijpjes worden vervolgens in het beschadigde deel geplaatst. Er wordt geprobeerde de precieze vorm van het gewricht te herstellen.

Allograft

Bij deze ingreep wordt donorkraakbeen van een overleden donor gebruikt. Dit kraakbeen met bot, wordt in de juiste vorm in de beschadiging geplaatst. Deze operatie wordt meestal pas toegepast als andere ingrepen hebben gefaald. Een nadeel van deze operatie is dat het weefsel soms niet volledig ingroeit.

Mogelijke complicaties

Gelukkig treden na een operatie in verband met kraakbeenletsel niet vaak complicaties op. De volgende complicaties kunnen voorkomen:

  • Er kan een verstopping van een bloedvat in het been (trombose) ontstaan. Wanneer dit niet behandeld wordt, kan er een stolsel naar de longvaten of hersenvaten schieten. Dit kan zeer ernstige gevolgen hebben. In het ziekenhuis krijgt u een spuitje ter voorkoming van trombose. Trombose is herkenbaar aan een dikke en pijnlijke kuit.
  • Omdat er sneden in de huid worden gemaakt, kan een huidzenuw beschadigd raken. Dit geeft een doof gevoel in een gedeelte van de huid.
  • Uw knie kan stijf worden door vorming van littekenweefsel, met name wanneer de operatie te snel uitgevoerd wordt na een kruisbandletsel.
  • Een infectie is een vervelende complicatie. De kans hierop is erg klein, maar het kan ernstige gevolgen hebben voor het gewrichtskraakbeen.
  • Er kan een nabloeding optreden. Dit verdient aandacht en daarom moet u altijd contact met de huisarts of met ons opnemen. Soms moet er dan een hechting geplaatst worden.
  • De bloeddrukband om de knie ‘bloedleeg’ te maken, kan te strak gezeten hebben. Dit kan een kneuzing veroorzaken. Deze klachten verdwijnen vanzelf

Anesthesie (verdoving)

Een goede verdoving is bij een operatie is belangrijk. Bij de een operatie in verband met kraakbeenletsel zijn verschillende vormen van verdoving mogelijk. U kunt kiezen voor algeheel (narcose) of regionaal (ruggeprik), soms nog gecombineerd met een dijbeenblokkade. In alle gevallen voelt u tijdens de operatie geen pijn. Voor de operatie heeft u een gesprek met de anesthesioloog. Dit gesprek vindt plaats op de preoperatieve screeningspoli. Tijdens dit gesprek worden onder andere de vorm van verdoving en eventuele gezondheidsproblemen die van invloed kunnen zijn op de verdoving besproken. Er is een speciale UMC folder beschikbaar over de anesthesie en de pijnpoli.

Na de operatie

Na de operatie wordt u naar de uitslaapruimte (recovery) gebracht. De verpleegkundigen daar houden uw ademhaling, polsslag en bloeddruk in de gaten. Bij regionale anesthesie bent u al goed wakker. In het geval van algehele anesthesie wordt u op de operatietafel wakker gemaakt. In de uitslaapkamer wordt u dan langzaam helemaal wakker. U heeft nog een infuus in uw arm. Via dit infuus krijgt u vocht en zo nodig bloed toegediend. Het infuus is belangrijk, omdat u op de dag van de operatie maar heel weinig mag drinken. Als u weer goed wakker bent en uw polsslag en bloeddruk zijn goed, wordt u teruggebracht naar de verpleegafdeling. Het is normaal dat u na de operatie wat pijn heeft. U krijgt daarvoor pijnstillers. Ook krijgt u een spuitje om trombose te voorkomen. Vermindert de pijn niet, vertelt u dit dan aan een verpleegkundige. Zij kan uw arts vragen of er een ander medicijn voorgeschreven kan worden.

Revalidatie

Na de operatie krijgt u een periode fysiotherapie. De duur van de therapie verschilt per persoon. In de therapie wordt aandacht besteed aan het controleren van pijn, het mobiliseren van de knie en het vergroten van spierkracht. In de eerste periode let de therapeut met name op pijn en zwelling. U krijgt instructies om de knie gedurende de eerste zes weken te ontzien. De knie heeft tijd nodig om te genezen. In de eerste periode wordt ook aandacht besteed aan de mobiliteit van de knie en aan het volledig buigen en strekken ervan. In de tweede fase is de opbouw van spierkracht van belang. In eerste instantie richt de revalidatie zich op het oefenen van activiteiten waarbij het kraakbeen minimaal belast wordt. Langzamerhand wordt dit uitgebreid naar meer belasting van de knie. Normaal gesproken kunt u na het herstel al uw werkzaamheden weer volledig hervatten. Soms is het echter beter om u levensstijl, bijvoorbeeld op het gebied van sport of zware lichamelijke activiteiten, aan te passen. Hiermee kunnen nieuwe problemen met uw knie in de toekomst zoveel mogelijk voorkomen worden.


Zie ook

Link

  • ppt sportblessures [1]

Youtube

  • Knie anatomie in beeld[2]