Lage rugklachten, rode en gele vlaggen

Uit Wikifysio
Ga naar: navigatie, zoeken

Rode vlaggen; signaal voor specifieke aandoeningen

Lichamelijk onderzoek:

  • Positieve worteltrekproef (Lasègue, Bragard), omgekeerde en gekruiste

Lasègue?

  • Neurologische uitval (motoriek, sensibiliteit en/of mictie) in bekken, heup en onderste extremiteit?
  • Drukpijn ter plaatse van een geïsoleerde processus spinosus met asdrukpijn van de wervelkolom?
  • Palpabel trapje in verloop van processus spinosi (mogelijk een spondy- lolisthesis?)
  • Lumbale kyfose?

Vermeldenswaardig is de CBO-beschrijving over de slechts aan patiënten met ‘rode vlaggen’ voor te behouden beeldvormende diagnostiek. (‘Want: röntgenonderzoek combineert meer tevredenheid aan meer klachten’)

Gele vlaggen; signaal voor psychosociale factoren

Zowel de NVAB-richtlijn als de CBO-conceptrichtlijn besteden veel aandacht aan psychosociale problemen, aan pijn- en vermijdingsgedrag, aan bewegingsangst, aan inadequaat ziektegedrag. De NVAB benoemt in het kader van risicosignalen voor dreigende chroniciteit de tekenen van inadequaat ziektegedrag van Waddell. De CBO-conceptrichtlijn beschrijft dezelfde aspecten aan de hand van de ‘gele vlaggen’ van Waddell, die dienen als waarschuwingssignalen. Gele vlaggen van Waddell: tekenen van inadequaat pijngedrag.

Aard van de klacht:

  • veelvuldige behandelingen met ongewenste neveneffecten;
  • pijnmedicatie zonder effect op de klachten;
  • patiënt ervaart in toenemende mate functionele klachten;
  • niet alleen rugklachten, maar allerlei lichamelijke klachten;
  • afnemend psychisch en emotioneel welbevinden;
  • toenemend sociaal isolement;
  • verlies van vertrouwen in, en zelfs conflicten met hulpverleners en/of

met mensen in de eigen werkomgeving.

Emotionele reactie:

  • de patiënt benoemt zijn klachten in superlatieven;
  • de patiënt heeft angst voor pijn en letsel en gaat daardoor minder bewegen;

stecr Werkwijzer lage rugklachten en arbeidsomstandigheden •

  • een toenemend gevoel van hulpeloosheid, machteloosheid en/of

depressiviteit;

  • een afnemend gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen;
  • een afnemend vermogen om bekrachtigers van gezond gedrag te ontlenen aan dagelijks activiteiten.

Cognitie en attributie:

  • een voortdurende fixatie op een mogelijk ernstige lichamelijke afwijking als verklaring van de klachten;
  • het steeds weer vragen om meer en specialistisch onderzoeken;
  • cognities als ‘ik kan niets’ en ‘ik kan er niets aan doen’.

Aanpassing van het gedrag:

  • overmatig medicijngebruik;
  • shopping-gedrag;
  • toenemende conflicten met omgeving, behandelaars, werkgever etc.;
  • afnemende sociale participatie;
  • langdurig ziekteverzuim c.q. WAO;
  • inadequaat pijngedrag.

Lichamelijk onderzoek:

  • oppervlakkige, niet-anatomische pijn;
  • aangeven van pijn wanneer belasting wordt gesimuleerd;
  • klachten van motorische/sensibele uitval niet overeenkomend met anato-

mische grenzen;

  • abnormale symptomen bij afleiding van de patiënt;
  • overreactie.

Zie ook: