Lumbaal actief onderzoek instabiliteit

Uit Wikifysio
Ga naar: navigatie, zoeken

Lumbaal actief onderzoek

Instabiliteit

De actieve stabiliteit wordt gewaarborgd door de rug- en buikspieren en de tussen het bekken en de onderste extremiteiten uitgespannen musculatuur. Belangrijkste zijn:

  • m. multifides;
  • m. rotatorus;
  • m.semispinalis;
  • de dwarse en schuine buikspieren die aan de fascia thoracalis-lumbalis aanhechten.

Passieve stabiliteit komt voornamelijk voor tussen S1 en L5 en het iliolumbale ligament en de frontaal gepositioneerde facetgewrichten. De discus L4-L5 is dikker dan die van L5-S1 en vervult een belangrijke rol als stabilisator.

Klinische kenmerken:

  • Inspectie: verhoogde tonus van de intrinsieke musculatuur;
  • verminderde bewegelijkheid van L4-L5, L5-S1 en TLO;
  • Deviatie c.q. bij actieve ventraalflexie en/of deflexie;
  • Handen plaatsen op de knieen bij deflexie;
  • Arculaire c.q. angulaire hoek: hyper- en hypomobiele segmenten
  • Gestoord bewegingsverloop bij actief bekkenkantelen in zit met hangende benen;
  • Neiging de knieen te buigen bij actieve dorsaalflexie;

LIachterwaartslopen.JPG Onmogelijkheid achterwaarts lopen

  • Onvermogen achterwaarts lopen;
  • Onvermogen stabiliteit te handhaven bij tillen, heffen, dragen ADL handelingen;
  • Verminderde c.q. niet aanwezige segmentale isometrische 3-D rotatie;
  • Verminderde spierkracht m. gluteus max. bij het in zijliggen weerstand geven via het geextendeerde/geabduceerde/exorotatie been;
  • Verminderde lokale musculaire coordinatie;

Inspektie:

Achter de patient staan en kijken naar rug hoe deze aanspant bij verschillende activiteiten op ADL gericht b.v. lopen, staan, bukken etc.. 2 dikke kabels (m.erector trunci) dan is dat pos. Je moet de kleine spiertjes zien werken.

Ventraalflexie:

  • Verminderde beweging TLO
  • Arculaire c.q. angulaire hoek: hyper / hypomobile segmenten
  • Deviatie c.q. gestoord bewegingsverloop (deflexie handen op de knieen)

LIventraalflexie.JPG Deflexie met steun

Dorsaalflexie:

  • Neiging knieen te buigen

LIdorsaalflexie.JPG

Bekken kantelen in zit:

LIheftest.JPG Heftest

Heffen van gestrekte benen in zijlig: onvermogen

Achterwaarts lopen gestoord:

Verminderde kracht gluteus maximus:

  • extensie . abd . endo met weerstand.

LIabductietest.JPG Abuctie/extensietest

Verminderde c.q. niet aanwezige segmentale 3D rotatie

LIsegmentale3d.JPG 3 D rotatietest

Passief onderzoek:

Translatie in zijlig:

  • meer mobiel segment t.o.v. van aanliggend segment;

Springing test in buiklig:

  • Mobieler segment t.o.v. aanliggend segment;

Actief onderzoek

Het belangrijkste is ACTIEF onderzoek.

Actieve stabiliteit vasthouden, min. 30 sec in ADL gerichte bewegingen b.v.:

  • Correcte houding in zit;
  • Correcte houding in stand;
  • Correcte werkhouding;
  • Houding in kruiphouding;
  • In kortzit.

Segmentale coordinatie:

  • Patient geeft tegendruk bij . springing handgreep;

LIrosettest.JPG Rosettest

  • Patient geeft tegendruk bij . roset handgreep.

LIcompressietest.JPG Compressietest

Test van Larson:

Provoceert het desbetreffende segment: ventraal druk en plotseling loslaten.

De kracht testen van de buikspieren:

Vooral m.transversus abdominus en m.abdominus internus.

Regionale provocatietest:

[[ ]]

  • Veringstest:

LItractietest.JPG Tractietest

  • Tractie test (ontlastend):

Typerend hiervoor is bij de test voor de lumbale wervelkolom de schepbeweging van de therapeut onder de 12de rib en onder armen van de patient door. tractietest thorocale Wk Het is een reducerende test. Thorocaal maak je een knikbeweging in de wervelkolom, onderrug afgevlakt, iets achteroverhangen en tractie geven. Doel: ontlasten van de wervelkolom (positief: is aanwijzing voor een neurologisch probleem) Verschil tractie van lumbaal en thoracaal: Bij lumbaal zit je en houd de patient de ellenbogen vast met de handen, bij thoracaal houd de patient met zijn handen de schouder vast.

  • Compressietest: (belastend)

Om het zwaarder te maken kun je extensie in de onderrug maken.

  • Slag en kloptest:

Een of twee vingers op de spinosi en met de andere hand er op slaan, positief bij pijn: red flag (!)

Segmentale provocatietest

(lokaal)

Veringstest:

  • federungs test: via of tussen de proc.spinosi;
  • federungs test met snuitgreep: via de proc.spinosi;
  • springungs test: via de proc.transversus:

De Rosett test: (Rotatietest)

De handvatting kan ook anders zoals met de duimmuis, dit is minder puntig.

Weefselspecifiek onderzoek

Sensibiliteitsonderzoek lumbaal:

Hier onderzoeken we de segmentale dysregulatie: Als er sprake is van segmentale dysregulatie dan doen we eerst een segmentale bindweefsel massage. Daarna mobiliseer je de wervel in de beperkte stand. Orthosympatisch vanaf C8-L2. Benen Th10 . L2 vegetatief C1-S5. Bij sensorisch onderzoek wordt onderzocht de:

  • Exterocepsis
  • Propriocepsis
  • Interocepsis
Exteriocepsis:

Hier test men de oppervlakte huidsensibiliteit door middel van: scherp / dof, warm / koud, raderen. Dit doet men over de dermatomen heen of ook in het verlengde van een dermatoom.

Volgorde van testen:

  • Inspectie;
  • Palpatie op temperatuur, vochtigheid van de huid;
  • Huidraderen, links en rechts . mediaal en lateraal van de wervel kolom 3 . 8 cm;

LIkiblertest.JPG Kiblertest

  • Kiblertest, oppakbaarheid van de huid . mediaal en lateraal van de wervelkolom 3 . 8 cm;
  • huidverschuifbaarheid . mediaal en lateraal;
  • palpatie tonus intrinsieke musculatuur;
  • coordinatietest segmentale musculatuur (weerstand geven tegen lichte druk roset -en springingtest);
  • palpatie specifieke pijnpunten . in spier, proc spinosi, proc. transversi;
  • palpatie specifiek pijnpunten van Sell op binnenste / bovenste quadrant

m. gluteus maximus;

  • Springingtest op processi spinosi;
  • facetprovocatietest;
  • Rosettest.

Propriocepsis:

Hier test men:

  • Kapselsensoren;
  • Ligamentsensoren;
  • Spiersensoren: (spierspoelen meten de lengte van de spier en golgipees meet de spanning van de spier);
  • Peessensoren:
  • Periostsensoren: met een stemvork
  • druk en pijnsensoren;
  • huidraderen:

ter hoogte van thoracale wervelkolom

  • Kibler-test (oppakbaarheid en rollen).
  • Palpatie tonus musculatuur.

Zie ook: