Pacing

Uit Wikifysio
Ga naar: navigatie, zoeken

Zelfmanagement en oefentherapie op maat voor de CVS-patiënt


‘Pacing’, of oefenen met vastgestelde tijdmaat, is een behandelstrategie waarbij de patiënt aanleert een balans te vinden tussen rust en activiteit, met als doel het voor Chronische-vermoeidheidssyndroom en Fibromyalgie kenmerkende fluctuerende klachtenpatroon onder controle te brengen, en zo uiteindelijk de patiënt in staat te stellen om zijn activiteitenniveau zelf op te bouwen (Shephard, 2001; CFS/ME Working Group, 2001). Het herstructureren van het activiteitenpatroon volgens de pacing zelfmanagementprincipes, self efficacy impliceert een ingrijpende gedragsverandering voor de patiënt. Daarom wordt voorafgaand aan het aanleren van de zelfmanagementtechnieken voldoende uitleg gegeven over de theoretische achtergrond van de behandeling. Vervolgens wordt er gestart met de twee fasen van het pacing programma: de stabilisatiefase en de opbouwfase. Tijdens de stabilisatiefase leert de patiënt om eerst de momentane tolerantie tegenover iedere uit te voeren activiteit in te schatten (deze varieert typisch tussen goede en slechte dagen), om vervolgens de activiteit gedurende een vastgestelde tijdsduur uit te voeren. De tijdsduur werd daarbij bepaald als functie van de momentane tolerantie: voorafgaand stelt de patiënt zich de vraag hoe lang hij/zij de geplande activiteit kan uitvoeren zonder dat hierdoor de klachten verergeren. Deze tijdsduur wordt dan verminderd met 25 of 50 procent (goede/slechte dagen), om er zeker van te zijn dat de grenzen van belastbaarheid niet worden overschreden. Na het beëindigen van de activiteit volgens de vooraf vastgelegde tijdsduur, neemt de patiënt een pauze, die minimaal even lang duurt als de activiteit zelf, alvorens de draad van de activiteit weer op te nemen. Het respecteren van de pauzen zijn essentieel voor het slagen van het zelfmanagementprogramma en sluit aan bij de experimenteel aangetoonde vertraagde recuperatie na lichamelijke inspanning (Paul e.a., 1999). ‘Pauzen’ werden gedefinieerd als relatieve rustperiodes, waarbij de patiënt wel in beperkte mate een ander soort activiteit mocht uitvoeren. Indien de activiteit lichamelijk belastend is (bijvoorbeeld tuinieren), dan kan de patiënt tijdens de pauze beter een cognitief belastende activiteit (zoals administratief werk of lezen) uitvoeren, en omgekeerd.

Wanneer de patiënt het fluctuerende klachtenpatroon eenmaal heeft kunnen ombuigen in een meer constant patroon van minder klachten (nauwelijks nog ‘slechte dagen’), kunnen we overgaan naar de opbouwfase. Tijdens de opbouwfase wordt er verder gewerkt met de principes uit de stabilisatiefase, zowel voor het invullen van oefentherapieën als het geleidelijk opvoeren van de duur van dagelijkse activiteiten. Dit betekent een stapsgewijze opbouw van de duur van de activiteitenblokken, door de aanvankelijk toegepaste vermindering van de duur van de blokken met 25 of 50 procent geleidelijk af te bouwen. De patiënt kan immers op dat moment van de behandeling een juiste inschatting maken van zijn eigen grenzen van belastbaarheid. De effectiviteit van de pacing zelfmanagementtechnieken voor CVS-patiënten is in deze vorm nog niet onderzocht, maar er is wel al wetenschappelijk bewijs voor het toepassen deze pacing principes bij opbouwende oefenprogramma’s voor CVS-patiënten (Wallman e.a., 2004). Verdere effectiviteitstudies zijn noodzakelijk om te achterhalen of de empirisch geobserveerde verbeteringen te danken zijn aan de behandeling dan wel een gevolg zijn van het natuurlijk beloop van de aandoening. Belangrijk is ook dat revalidatie volgens de pacing principes consistent is met de actuele kennis over fysiopathologie van CVS.


Zie ook: